U bent hier

Jan Toorop een veelzijdig man

1980 | Muurschildering - De doop van Christus in de Jordaan (bron: RCE) in de Sint-Bernulphuskerk te Oosterbeek

1980 | Muurschildering - De doop van Christus in de Jordaan (bron: RCE) in de Sint-Bernulphuskerk te Oosterbeek

Oosterbeek, Sint Bernulphuskerk – Utrechtseweg 129, 6862AG

De op neogotiek geïnspireerde Rooms Katholieke kerk Sint Bernulphus te Oosterbeek werd gebouwd naar aanleiding van de vorming van de Bernulphus Parochie omstreeks 1860. De Heilige Bernulphus of Bernold was in 1027 – 1054 bisschop van Utrecht en is de patroonheilige van Oosterbeek. De eerste steen van de kerk werd gelegd in 1884 en werd ontworpen door de Amsterdamse architect Alfred Tepe (1840 – 1920), beïnvloed door Cuypers nam hij de neogotiek als uitgangspunt. De toren van de kerk werd in de Tweede Wereldoorlog in 1944 zwaar beschadigd. Na de oorlog is om financiële redenen tijdens de restauratie besloten de toren af te breken. De kerk staat niet in het monumentenregister.

Het interieur was bij oplevering in 1885 ‘naakt’ wit en werd in 1897 onder het pastoraat van H.B.M. Berendsen ‘in niet overdadige kleurstellingen’ naar ontwerp van G.B. Janssen geschilderd “de wanden en gewelfvelden wit van kleur met in de lambriseringvlakken een tapijtweefselschildering die nog te herkennen is in de muurschildering van Jan Toorop” (Poerworedjo 1858 – Den Haag 1928). Het pittoreske plaatsje Oosterbeek was vanwege haar prachtige ligging gedurende de 19e eeuw geliefd bij kunstschilders en ontwikkelde zich tot een schildersdorp. Zo ook Johannes Theodorus Toorop die er tussen 1915 en 1919 verschillende kunstwerken in de katholieke Sint-Bernulphuskerk aanbracht. Naast zijn beroemde kruisweg schilderde de kunstenaar tussen 1915 en 1919 links in het priesterkoor zijn weinig bekende muurschildering “De Doop van Christus door Johannes Den Doper”, dewelke hij vermoedelijk uitvoerde in silicaatverf van Keim. In 1922 werd het priesterkoor uitgebreid en de muurschildering met muur en al verplaatst naar de huidige locatie (zie tekening 1a en 1b). Joan Collette (1889 – 1958) voormalig leerling van Toorop krijgt de eer de volledig verpoederde schildering in 1947 te restaureren. In 1972 wordt het priesterkoor vergroot door het plaatsen van een verhoging waarbij Christus letterlijk tot zijn knieen in het water komt te staan. Vanwege de zeer slechte conserveringstoestand en dito uiterlijk wordt er korte tijd later een wand voor de muurschildering geplaatst. Deze muur wordt in 1980 ten behoeve van de op hande zijnde tentoonstelling van Jan Toorop in de kerk door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) verwijderd. Onderzoeken volgen maar een behandeling blijft door de complexe problematiek en de daaraan gekoppelde hoge kosten tot op heden toekomstmuziek.

Kunsthistorische beschrijving van de muurschildering

Datering
Over de datering van de monumentale muurschildering met als titel ‘de Doop van Christus door Johannes Den Doper’ heerst nog onduidelijkheid. In de naslagwerken worden verschillende datums genoemd: Plasschaert die in 1925 het werk ‘Jan Toorop’ schreef beweert dat dit al in 1916 uitgevoerd is. In het door de Sint-Bernulphus uigegeven boekje over de geschiedenis van de Sint-Bernulphus uit 1996 zou Jan Toorop in 1917 de schildering op de westwand links van het koor aangebracht hebben, en in de Genade van de Steiger: Monumentale Kerkelijke Wandkunst in het Interbellum staat zowel 1915 als 1919 te lezen. Naar de werkelijke datum blijft het dus gissen.

Beschrijving
Jan Toorop bracht zijn zeldzame monumentale muurschildering dus links van het priesterkoor aan in een zogenaamde lambriseringsnis en beeldt, zoals de titel al doet vermoeden, de Doop van Christus door Johannes De Doper in de Jordaan uit.
Op de schildering zijn drie personages te zien. Christus staat in het midden met gekruiste armen voor een bloot bovenlichaam met achter zijn hoofd een nimbus met wijdingskruis. Tot zijn kuiten staat hij in de Jordaan waarin twee vissen zwemmen. De lendedoek die hij om zijn heupen draagt rijkt tot net boven de knie en boven Christus’ hoofd vliegt een duif met lichtstralen, symbool voor de Heilige Geest. Langs de kant van de Jordaan staat voor de toeschouwer rechts van Christus, Johannes de Doper met bloten voeten. Hij heft zijn rechterhand tot boven het hoofd van Christus met zijn handpalm naar boven. In de linkerhand houdt hij een staf met het kruis. Links van Christus zit Maria in een knielende houding langs de kant van de rivier. Ze heeft de ogen gesloten en haar hoofd buigt in een hoek van 45° richting de grond. Met haar linkerhand houdt zij haar kleed omhoog, haar rechterhand houdt zij in een hoek van 90° met de handpalm richting Christus en het heilige kruis. Achter zich heeft Maria twee rechtopstaande vleugels. Bij zowel Johannes als Maria zijn bij de voeten (gedeeltelijke) halve cirkels zichtbaar.

Toorop zou de schildering in 1915, 1916, of 1917 aangebracht hebben. Dat betekent dat ze vermoedelijk in dezelfde periode is geschilderd als zijn kruiswegstaties waar hij van 1916 tot 1919 aan werkte. Mevrouw P.J.M. de Bruijn-Van Lede schonk de staties aan de kerk en gaf Toorop de opdracht deze uit te voeren. Het is onbekend of zij Toorop ook heeft betaald voor de muurschildering van de Doop van Christus. Een andere overeenkomst met de staties is het gebruik van mevrouw A. van Schendel die voor alle Maria figuren van de staties, model heeft gezeten. De scherpe neus van de Maria links van Christus op de muurschildering vertoond sterke gelijkenissen met de Maria van de kruiswegstaties.

Materiële geschiedenis van de muurschildering
Wat het object (de muurschildering) en de drager (het gebouw) materiaal technisch gezien door de eeuwen heen heeft meegemaakt speelt een grote rol bij een eventueel latere restauratie. Het is daarom belangrijk een goed inzicht te hebben in wat er in het verleden reeds is uitgevoerd. Een overzicht van de uitgevoerde ingrepen aan de muurschildering is in het bovenstaande kader terug te vinden.

1916 – 1919
Over wanneer Toorop de schildering precies heeft aangebracht is dus niets zeker. Uit het restauratieadvies van Joan Collette van 11 november 1947 kunnen we wel opmaken dat hij dit vermoedelijk met silicaatverf van Keim© uitvoerde. In 1981 voerde Willem Haakma Wagenaar namens de RDMZ nogmaals een onderzoek uit waaruit blijkt dat de schildering is aangebracht op een oliehoudende witte overschildering, er zou dus reeds een schildering ónder de muurschildering van Toorop aanwezig zijn. In dat geval is deze vermoedelijk aangebracht in 1897 toen de kerk haar witte ‘naaktheid’ verloor en van kleur werd voorzien. Dit zou het neo-gotische patroon verklaren welke door de voorstelling heen schemerd. De laagopbouw zou dan als volgt zijn:

0 – Drager (baksteen)
1 – Bepleistering (samenstelling en opbouw onbekend)
1a – Preparatielaag
2 – Picturale laag 1 (neo-gotische lelies)
3 – Witte overschildering (oliehoudend)
4 – Picturale laag 2 (Toorop - Keim©)

De kerk is opgetrokken in baksteen. Over een bepleistering wordt in de documentatie niet gesproken maar is visueel duidelijk aanwezig, de samenstelling en opbouw is onbekend. Tevens wordt er ook niets over een preparatielaag vermeld maar het is zeer onwaarschijnlijk dat deze er niet is aangezien de hoge zuiging (de capillaire werking) van een pleisterlaag eerst dient te worden opgeheven alvorens er geschilderd kan worden. Picturale laag 1 is vermoedelijk aangebracht in 1897 het moment waarop de kerk met kleur werd afgewerkt. Daarover is een oliehoudende witte overschildering aangebracht waarop de kunstenaar zijn voorstelling met vermoedelijk silicaatverf van Keim© aanbracht.

1922
In 1922 werd de oorspronkelijk driebeukige hallenkerk uitgebreid door de verplaatsing van de koorpartij en de bouw van een transept.[i] De muurschildering is dan ook in 1922 met muur en al verplaatst naar de huidige locatie (zie tekening 1a en 1b)[ii]. Hoe de afname en verplaatsing van de schildering heeft plaatsgevonden en wie dit heeft uitgevoerd is tot op heden (februari 2015) niet in de archieven terug gevonden.

1944
De kerk loopt grote schade op tijdens de Slag om Arnhem (operatie: Market Garden) gedurende de Tweede Wereldoorlog. Met name de toren krijgt het zwaar te verduren. De kruiswegstaties en de muurschildering ondervinden geen schade. Na de oorlog wordt om financiële redenen tijdens de restauratie besloten de toren af te breken en niet opnieuw op te bouwen. Deze beslissing heeft de kerk haar nieuwe, ietwat vreemde, uiterlijk gegeven.

1947
“Ik heb nog eens goed nagedacht over Toorop’s vak, het resultaat is, dat ik geloof dat de enige oplossing om een enigzins frisch laklaag te krijgen is, om het met olie te drenken en daarop te corrigeren”, schrijft Joan Collette in zijn restauratieadvies van 11 november 1947. De schildering is op dat moment bijna volledig verpoederd en Collette ziet geen andere oplossing dan dit met (lijn)olie te fixeren en met olieverf te retoucheren. Het is onbekend welke technieken Collette voor de ingreep heeft gebruikt. 

Doordat de schildering volledig is verpoederd heeft Collette niet minimaal kunnen retoucheren. Dit komt naar voren uit het onderzoek dat Rob Crèvecoeur namens de RDMZ op 1 september 1980 uitvoerd “Collette heeft enkele stuitende retouches gemaakt”. Ook Collette zelf schrijft in 1947 “Ik ben mij ervan bewust, dat het dan een Toorop-Collette zal worden! Maar de Toorop-Toorop heeft te veel geleden om die te handhaven”.  

Tussen 1915-1919 was het schilderingen met een silicaatverf (KEIM) een relatief nieuwe techniek. Vloeibaar kalisilicaat, het basiscomponent van de verf, vormt een verbinding met de in de ondergrond (steen en mortel) aanwezige siliciumdeeltjes. Het ligt voor de hand dat een dergelijke verf dan ook geen verbinding aan kan gaan met een verf op oliebasis. Een eenvoudige verklaring voor de verpoedering van de picturale laag die Collette in zijn restauratieadvies beschrijft. 

Waarom Toorop hier voor het gebruik van dit materiaal heeft gekozen kunnen we alleen maar gissen. Belangrijk om te weten is dat er van Toorop maar twee muurschilderingen bekend zijn en hij met name een tekenaar was. Materialen die hij hiervoor gebruikte zijn houtskool, zwart- en rood krijt, waskrijt, waterverf, olieverf, potlood, inkt en pastel. Door zijn weinige ervaring met monumentale wandschilderingen kan het zijn dat hij een tekort aan kennis heeft gehad wat betrefd hiervoor geschikte materialen. Misschien was hij wel nieuwsgiering naar een nieuw materiaal als Keim of wilde hij een schildering met een mat uiterlijk zoals de kruiswegstaties die hij met pastel uitvoerde.

1972 – Vergroting van het priesterkoor
Het priesterkoor wordt in 1972 te klein geacht en uitgebreid d.m.v. een verhoging waardoor de schildering tot op kniehoogte onder vloerniveau wegvalt.

1972 – 1980
De conserveringstoestand van de schildering is ondanks de restauratie van Collette in 1947 in slechte staat. Ze oogt vlekkering en de vermoedelijk heldere kleuren waar Toorop mee schilderde zijn veranderd in verscheidene bruintinten met hier en daar een weinig blauw. Naar aanleiding van het hiermee gepaard gaande storende uitzicht wordt er besloten een wand voor de schildering te plaatsen waartussen enige ruimte tussen de schildering en de muur is gelaten. Deze wand lijkt, aan de hand van de foto’s, te bestaan uit gemetselde gipsblokken. Dat men een wand voor de schildering liet metselen in plaats van deze te overschilderen, wat veel minder werk zou zijn geweest, wijst erop dat de schildering toch als waardevol werd beschouwd en het een tijdelijke oplossing was tot er genoeg geld zou zijn voor restauratie. De precieze datum van het plaatsen van de muur is niet in de archieven terug te vinden maar aangezien de wand staat óp de verhoging van het priesterkoor kan het niet anders dan dat dit is uitgevoerd ná 1972.

1980 – 1981
In 1980 organiseert het kerkbestuur van de Sint-Bernulphus een tentoonstelling ter ere van de werken van Jan Toorop. Er wordt een subsidie van fl 20.000,- gulden aangevraagd bij de Rijkdienst voor Monumentenzorg[i] of deze subsidie daadwerkelijk wordt toegezegd komt uit de documenten niet naar voren maar aangezien de tentoonstelling wel heeft plaatsgevonden en de Rijksdienst na die tijd verschillende onderzoeken heeft uitgevoerd zou men ervan uit kunnen dat dit wel het geval is geweest. Naar aanleiding van de expositie komt het werk van Jan Toorop terug in de belangstelling te staan en met de opbrengsten hoopt men de restauratie van de monumentale muurschildering te kunnen financieren.

Een eerste advies
Rob Crevècoeur stelt, in zijn restauratierapport van 18 juli 1980 voor, de voor de schildering staande muur weg te nemen. Na het verwijderen van de muur in mei 1980 volgen er visuele onderzoeken, zowel met het blote oog als met ultraviolet licht, doch worden er naast wat verduidelijkingen van details, geen grote ontdekkingen gedaan. De sterke, bruine verkleuring zou veroorzaakt zijn door de door Collette aangebrachte olie. Dit is heel goed mogelijk aangezien (lijn)olie zonder invloeden van UV-licht de eigenschap heeft te vergelen. Daarnaast biedt Crèvecoeur verschillende restauratieopties in “drie stadia van zwaarte” waarbij het reinigen met Terpentina alsook het aanbrengen van een vernislaag wordt geopteerd om het vlekkerige uitzicht te ontstoren. Toedertijd waren dit geen ongebruikelijke materialen om mee te werken. In de begroting van 1 september 1980 worden de kosten voor 5-6 weken werk, op fl 300,- per dag en fl 30.000 - 35.000,- gulden in totaal geschat. Dit advies werd echter nooit uitgevoerd.

Een tweede restauratie advies
28 mei 1981 brengt Willem Haakma-Wagenaar een bezoek aan de Sint-Bernulphuskerk en de schildering. Naar aanleiding hiervan wordt, een jaar na het rapport van Crevècoeur, opnieuw een restauratieadvies uitgebracht. Haakma beschrijft dat er door Collette “over het gehele oppervlak (lijn)olie is aangebracht” maar ook dat het aan Collette’s ingrijpen te danken is dat Toorops compositie bewaard is gebleven hoewel: “Collette zal van het oorspronkelijke verfmateriaal niet veel hebben kunnen vasthouden. Loszittende resten van de verpoederde verflaag zal hij waarschijnlijk zelfs hebben verwijderd voordat hij de behandeling met olie en de overschildering met olieverf begon. (...) Toorops verf is nauwelijks nog bewaard”. In verband met een eventuele restauratie laat hij weten dat de schildering makkelijk in oplossing te brengen is maar dat dat vermoedelijk nog meer schade zal veroorzaken aangezien het oorspronkelijke materiaal, tegelijk met de in oplossing gebrachte olieverf in beweging zou komen (met welk materiaal deze oplos-test is uitgevoerd wordt niet vermeld).

“De huidige situatie in het koor is uiterst ongelukkig. De figuur van Christus is tot over zijn knieën in de vloer gezakt en Johannes zit er tot over zijn enkels in vast. Het lijkt de moeite waard een vak in de vloer voor de schildering te verdiepen zodat de compositie weer in zijn geheel zichtbaar is. Er moet dan wel bij de aan te brengen wijziging op gelet worden dat dweilwater niet naar het verlaagde niveau kan stromen, want dan zou Christus te echt in het water komen te staan.” Aldus Wagenaar in zijn restauratieadvies uit 1981. Op een foto uit 2011 is inderdaad te zien dat het vloerniveau rondom de schildering is verlaagd. De precieze datum van deze ingreep is niet in de archieven van de Rijksdienst teruggevonden.

Conclusie
De monumentale muurschildering in de Sint-Bernulphuskerk te Oosterbeek is, in tegenstelling tot de kruiswegstaties van Jan Toorop, erg onbekend. Het notoir van Jan Toorop en zijn werk in ogenschouw nemend, is dit zeer frappant. Voor zover bekend schilderde hij slechts twee muurschilderingen. De schildering is dan ook een uniek stuk in het oeuvre van de kunstenaar.

De schildering onderging relatief weinig ingrepen. Na het aanbrengen tussen 1916 -1919 werd ze in 1922 bij de verbouwing van het koor met muur en al verplaatst. In 1947 werd zij gerestaureerd door voormalig leerling van Toorop, Joan Collette. Hij voerde de restauratie uit met (lijn)olie en olieverf. In 1972 werd het priesterkoor groter gemaakt door een verhoging van ± 1 meter, die de schildering liet wegzakken tot onder het vloerniveau. Tevens wordt er omstreeks dezelfde tijd, vanwege de slechte staat, voor de schildering een muur gemetseld.

De tentoonstelling in het kader van Toorops carriere in 1980 brengt de schildering opnieuw onder de aandacht. De eerder geplaatste muur wordt weggenomen en er volgen onderzoeken met o.a. ultraviolet-licht door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Voorts worden enkele restauratieadviezen voorgesteld die, vanwege de hoge kosten, nooit ten uitvoer worden gebracht. Na 1981 wordt het vloerniveau omheen de muurschildering verlaagd opdat zij weer in het geheel zichtbaar wordt. De schildering moet beschouwd worden als een compositie van Toorop, overgeleverd aan door een drastische restauratie van zijn toegewijde volgeling Collette (Wagenaar 1981). Verder wetenschappelijk onderzoek is nodig om de exacte problematiek in kaart te brengen. Met de tegenwoordige onderzoekstechnieken kan er gekeken worden naar het nog oorspronkelijke materiaal en hoe dit gerestaureerd kan worden.

Reacties