U bent hier

De Berkhoffschool als succesverhaal

Cor Dik, muurschildering (1956) in De Berkhoffschool, vermoedelijk fresco-techniek (864 x 360cm en 868 x 386 cm)

Cor Dik, muurschildering (1956) in De Berkhoffschool, vermoedelijk fresco-techniek (864 x 360cm en 868 x 386 cm)

24 mei 2017

Werkbezoek ‘De Berkhoff’ in Amsterdam-Oost

Op een mooie zonnige woensdagmiddag meldt een groep bezoekers zich aan de deur van een onopvallend gebouw aan de Wibautstraat. Het is de voormalige banketbakkersschool De Berkhoff, sinds 2013 een gemeentelijk monument. De groep bestaat uit leden van de Vereniging Restauratoren Nederland (RN), vertegenwoordigers van het architectenbureau Archivolt, de gemeente Amsterdam en de stichting Cor Dik. Samen bezoeken zij de recent in het zicht gekomen muurschildering uit 1956 van de kunstenaar Cor Dik.

Bernice Crijns (RCE) opent de middagDit is het eerste werkbezoek in de serie ‘monumentale schilderkunst (1900-2000)’. Bernice Crijns (RCE) opent de middag en geeft een korte toelichting op de serie werkbezoeken die worden georganiseerd door de werkgroep Historische Binnenruimten van RN. De serie is een initiatief van RN in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), waar een project loopt dat beoogt te leren van restauratieve ingrepen aan muurschilderingen uit de moderne tijd. Om dit vakgebied verder te professionaliseren is de uitwisseling van ervaringen belangrijk; zeker in Nederland waar - in tegenstelling tot de ons omringende landen - een Masteropleiding voor de restauratie van muurschilderingen ontbreekt.

Amsterdam geeft om naoorlogse monumentale kunst

Het bezoek aan ‘De Berkhoff’ kwam ook tot stand in samenwerking met Bureau Monumenten en Archeologie van de stad Amsterdam. De gemeenteraad heeft vorig jaar oktober de waarde van naoorlogse monumentale kunst in Amsterdam erkend en bekrachtigd dat er iets moet gebeuren om deze te behouden. Frederik Franken (monumentenadviseur) werkzaam bij het Bureau Monumenten & Archeologie (M&A) geeft een introductie op het gebouw en vertelt over een inventarisatieproject van monumentale wandkunst in Amsterdam. Deze kunst kent vele vormen en is zo bijzonder omdat zij speciaal is bedacht en ontworpen voor het gebouw waar zij onderdeel van uitmaakt. Deze kunst zit niet alleen in naoorlogse gebouwen maar werd ook toegepast in reeds bestaande gebouwen. In Amsterdam is er nu een groslijst van 190 geïnventariseerde naoorlogse wandkunstwerken. Deze inventarisatie gaf ook inzicht in wat al uit het zicht verdwenen is of dreigt te geraken, zoals kunstwerken die zijn opgeslagen nadat iemand ze redde en bewaarde. Echter zonder gebouw verpietert de uitgenomen wandkunst. Om te voorkomen dat ze langzaam aan van de radar verdwijnt organiseert M&A hierover in juni een kennisdag voor Amsterdamse ambtenaren. Door deze opgeslagen werken onder de aandacht te brengen en een breder draagvlak te creëren kan ruimte ontstaan voor een herplaatsing bij ontwikkelopgaven en nieuwbouwprojecten. Ook vindt er binnenkort een overleg met experts plaats waar de 190 kunstwerken worden besproken. Een deel zal eruit springen als top-kunstwerken, die de Amsterdamse gemeenschap moet koesteren. De gemeente wil een subsidieregeling gaan toepassen om het behoud van wandkunst te bevorderen en daarmee deze kunst te redden van verfkwasten, voorzetwanden,  - of erger – sloophamers. De omgang met de geschilderde wandkunst in de voormalige Berkhoffschool wordt als een succesverhaal gezien.

De Berkhoffschool als succesverhaal

Voor Franken is de school, die op eerste gezicht misschien een saaie vierkante blokkendoos lijkt, een fascinerend gebouw. Het gebouw staat op eigen terrein dat aan de zuid- en westzijde is ingevuld als een plantsoen met enkele groenelementen en dat is omsloten door de drukke Wibautstraat, het spoor-talud, de ringvaart en de voormalige Renault-garage. Het gebouwtype is een zogenaamde halschool en is een ontwerp van de architecten Ulrich en Kamphuis. Het bouwwerk heeft een betonskelet. De begane grond heeft een andere oriëntatie dan de uitkragende verdieping. De lokalen zijn gegroepeerd rondom een centrale hal waar een ranke vrijstaande trap de gaanderij op de verdieping ontsluit. De hal vormt het architectonisch middelpunt van het gebouw. Niet alleen vanwege de verkeersfunctie maar ook door de ruimtelijkheid, de vormgeving en de afwerking. Hier kent de gemeente Amsterdam een hoge monumentwaarde aan toe. Ook in de bouwtijd werd het ontwerp gewaardeerd: Architect Duintjer spreekt in Forum 1956 van een “monumentale vormwil en het vermogen om de dynamiek van onze tijd te wederstreven”. Verder stelt hij vast dat in dit werkstuk een vaste hand tot in de details, een ingeniositeit en een wil tot doorzetten valt te bewonderen. Oorspronkelijk stulpte de gemetselde buitengevel via de twee ingangen op de begane grond naar binnen in hetzelfde schoon rood metselwerk in Vlaams verband; wat de functie van plein versterkt. In het oorspronkelijk gladgestucte plafond waren de daglichten legramen, die in hetzelfde vlak geplaatst waren als het gestucte plafond. Dankzij deze rustige vormgeving ging de aandacht uit naar de wandschildering die is aangebracht over twee verdiepingen; en die in grote mate bijdraagt aan de ruimtelijkheid. Een renovatie uit 1977

voorzetplaten worden gedemonteerd en onthullen de schildering (meer foto's in de pdf)
Voorzetplaten worden voorzichtig gedemonteerd (meer foto's in de pdf in de linker kolom)

ondermijnde dit alles. De wandschildering verdween achter voorzetwanden. Recent is de schildering weer onthuld. De ontmanteling en de verdere omgang met de muurschildering wordt uitgebreid gedocumenteerd in opdracht van de Stichting Cor Dik. De foto's van de ontmanteling zijn te zien in de pdf in de rechterkolom van deze webpagina. De schildering is slechts een maand in het zicht. In juni verdwijnt ze weer tijdelijk achter een voorzetwand, als bescherming tijdens de voorgenomen verbouwing.

Niet alleen Cor Dik verfraaide de muren van de school, dat deed ook kunstenaar Hendrik Brouwer met zijn leerlingen van de kunstnijverheidsschool. Zij beschilderde de muren van de lokalen op de verdieping. Deze schilderingen verdwenen niet achter voorzetwanden maar werden betegeld en zijn daardoor lastiger weer in het zicht te brengen dan de schildering door Dik. Over Brouwer is recent bekend gemaakt dat zijn glaskunstwerk uit de oude Pieter Jellis Troulstraschool dankzij inspanningen van de gemeente een passende herbestemming krijgt in de Louis Bouwmeesterschool, een andere (typologisch gelijke) school in Nieuw West.

Met de geplande verbouwing van De Berkhoff is door Archivolt Architecten in samenwerking met de gemeente Amsterdam een apart traject gestart voor de schildering van Cor Dik. De gemeente benaderde Karin van der Lem (restaurator) om een schadeinventarisatie op te stellen. Enkele vragen hierbij zijn:

  • welke kosten gemoeid zijn bij herstel van deze muurschildering
  • welke diverse opties er zijn voor het behoud op termijn.

Op grond hiervan willen de eigenaar (gemeente Amsterdam) en gebruiker (Orioncollege) een weloverwogen keuze voor herstel kunnen maken. Want hoewel de school voor banketbakkers het pand heeft verlaten blijft de functie als school behouden. Een andere school heeft andere wensen en eisen. Voor de restauratie is het zaak is om de architectuur en de schildering weer goed tot hun recht te laten komen en het tegelijkertijd te beschermen bij het toekomstig gebruik.

Één van de weinige ‘echte’ fresco’s in Nederland

Iris Dik (de kleindochter van de kunstenaar) vertelt over Cor Dik’s leven, werkhouding en muurschildering in de fresco-techniek – de enige muurschildering die hij ooit maakte.

Cor Dik (1906–1975) was de zoon van een kuiper, die eveneens amateur fotograaf was. Cor Dik bezocht de “universiteit voor arme jongens” of te wel de Rijkskweekschool. Hij was autodidact. Heel waardevol zijn de bewaard gebleven dagboeken die hij tussen 1950 en 1975 schreef. De dagboekpassages verhelderen zijn gedachten, werkwijze en zoektocht naar bevredigende resultaten. Deze informatie is uniek en zeer bruikbaar voor de waardestelling van de schildering en voor de restauratie ervan. Want vanaf 1951 schrijft hij over zijn experimenten met de fresco-techniek. Het maakt duidelijk dat hij maandenlang werkte aan het zelfstandig onder de knie krijgen van deze klassieke techniek waar hij nooit eerder mee gewerkt had.

Het blijkt dat Cor Dik zijn vriend en architect Willy Ulrich zelf overtuigde om een groot fresco over de twee etages te realiseren die ‘de oogst’ en ‘de maaltijd’ verbeelden. In eerste instantie kreeg hij alleen de materialen vergoed. Toen het resultaat in de smaak viel, kreeg hij  meer betaald.

Uit de dagboek aantekeningen blijkt dat hij gebruik maakte van de informatie over ‘portable fresco’s’ in de contemporaine publicatie ‘Artist materials’ door Ralph Meyer. Cor Dik wilde dat de schildering op zou gaan in de ruimte. Hij zocht de spanning op tussen “wel voorstelling en niet voorstelling”, oftewel tussen de meer figuratieve weergave van de werkelijkheid en de abstractie van de donkere en lichte “ritmische” vlakverdeling. Het Parool wijdde een artikel aan de oplevering, waaruit blijkt dat Dik liefst vier maanden aan de fresco heeft gewerkt. Hij deed gedeelten vaak weer over en bikte daarvoor hele stukken van de muur.  Tijdens het werkbezoek werd niet duidelijk in welke periode Dik de schildering uitvoerde.

Het opstellen van een conditieopname en een behandelvoorstel

Betreft het inderdaad een ‘echte’ fresco? Deze vraag is gesteld in verband met de waardestelling van deze muurschildering. In Nederland is de frescotechniek maar zelden toegepast. Zijn dagboekaantekeningen wijzen hier zeker op, evenals de duidelijk te onderscheiden gepleisterde dagdelen (giornata). Onderzoek naar met welke materialen Dik deze schildering vervaardigde kan uitsluiten of het hier daadwerkelijk om een frescotechniek gaat.

Karin van der Lem licht de conditieopname en het op te stellen behandelplan toe. In 2016 is al een deel van de beplating uit de jaren ’70 van de wand verwijderd om de conditie van de wandschildering te beoordelen. Hieruit blijkt dat de wand met de muurschildering is betengeld middels houten balken waartegen de voorzetwand is geplaatst. Recent is al het plaatmateriaal geheel verwijderd. Naast reeds bestaande schadebeelden (loszittende mortel, lacunes, mechanische schade) heeft het verwijderen van de houten betengeling de nodige schade aan de schilderingen veroorzaakt.

Collegiaal beraad over aanwezige schaden en de mogelijke ingrepen

De aanwezigen discussiëren onder leiding van Franken en Van der Lem over de restauratieproblematiek en de mogelijke aanpak. Hiervoor maken ze een onderscheid tussen consoliderende, restaurerende en preventieve maatregelen.

Consolideren

De vertinlaag laat op veel plekken los van de betonnen wand. Binnenkort wordt onderzocht uit welk materiaal de stuclaag en vertinlaag (zandtype, kalk, gips of combinatie) bestaat. Onder leiding van Karin worden de losse delen in kaart gebracht. Het gebruik van infrarood wordt geopperd om hier beter zicht op te krijgen. De onderlinge hechting tussen stuclaag en beton moet hersteld zijn voordat de schildering weer wordt ingepakt. Het idee is om partieel te consolideren via de bestaande gaten die de betengeling heeft achtergelaten. Zonder druk, om het opbouwen van spanning in het stuc te voorkomen. De viscositeit van de mortel is daarbij afhankelijk van de ruimte die je moet overbruggen. Iemand vraagt hoe reëel het is dat dit gecontroleerd te doen is. Een andere vraag is of het afnemen van de schildering een mogelijkheid is. Daar staat niemand van de aanwezigen echt voor open, omdat dit altijd schade geeft. Goede resultaten zijn elders bereikt met koolstofstaafjes om grote blazen vast te zetten.

Het aanbrengen van facings om losse onderdelen tijdelijk te consolideren zal vermoedelijk vlekken geven. Het verwijderen met vocht kan waarschijnlijk niet en bij het verwijderen van de facing met een scalpel beschadig je de verf. Wellicht dat oplosmiddeltesten nog andere consolidatie-opties geven. Cyclododecaan geeft in principe geen vlekken maar is alleen geschikt voor zeer tijdelijke consolidatie.

Conclusie is dat na het consolideren van de vertinlaag een losse voorzetwand nodig is, die geen contact maakt met de schildering. Trillingen en klimaatschommelingen moeten tijdens de verbouwing worden vermeden. De architect wil de ruimte achter de voorzetwand op eenvoudig wijze klimatiseren en de T/RV monitoren met dataloggers.

Restaureren

In de figuratieve voorstelling zit een grote lacune tot op de betonnendrager. Hoe ga je hier vanuit restauratie-ethiek mee om? De lacune is vermoedelijk veroorzaakt doordat er aan de andere kant van de muur in de jaren ’70 een nieuwe wand is geplaatst. Zo’n muur is alleen op de begane grond aangebracht, op de verdieping is de staat van de schildering beter. NB Het gat op de verdieping is van de brandkast, dus daar zat de schildering niet. De vraag wordt gesteld in welke mate je de lacune gewoon kunt laten zien? Iemand oppert dat je er iets voor kunt zetten. Iedereen is het eens dat je het stucwerk sowieso moet aanhelen, om voortschrijdende schade te voorkomen. Dan volgt de vraag in welke mate je de vulling kunt ontstoren. Er is beeldmateriaal in zwart-wit. Het is een optie om de voorstelling alleen met de gestucte dagdelen (giornata) te reconstrueren zonder kleur.

De aanpak van het grote gat heeft consequenties voor hoe je alle gaten (groot en klein) vult. Wat zijn de ideeën voor de omgang met de kleine en oppervlakkige schades? Wil je daar iets mee doen? Alles hangt met elkaar samen en hangt af van de materiaalkeus. Het is belangrijk om na te denken hoe haalbaar het is, als je wilt dat het helemaal niet meer zichtbaar is. Want als je de kalkvulling iets te veel strijkt gaat deze glimmen want er komt dan meer kalk naar het oppervlak. Er zitten zo veel kleine gaatjes in de schildering, dat de vraag wordt gesteld of het een optie is om deze niet te ontstoren. Een andere optie is om de lacunes te vullen in één tint of juist spelen met verschillende tinten mortel. De voorkeur wordt uitgesproken  om te streven naar een neutraler beeld. Het gaten patroon wordt als storend ervaren voor het lijnenspel.

De diepe gaten herstellen kan best moeilijk zijn, het zijn gaten van 7 tot 8 cm. Hydraulisch voor de diepe delen en daarop luchtkalk, bv.

Denk ook aan het preventief consolideren van de randen van sommige beschadigingen, die zijn namelijk erg kwetsbaar, door de slechte hechting tussen stuclaag en de betonnen ondergrond.

Welk retoucheermateriaal kies je, fresco, Keim of iets anders? Je zult altijd een verschil zien. Keim heeft vulstoffen, heel dekkend, ook de meer laserende Keimverf. Natriumsilicaat ligt erop. Enerzijds wordt gesteld dat retouches heel storend kunnen zijn maar ook dat retoucheren niet zo veel problemen hoeft op te leveren, mits er veel proefplankjes worden gemaakt om uit te vinden wat wel of niet werkt. Fresco verkleurt niet. Iedereen raadt trattegio/riggatino retouches af, want er zitten al veel strepen in de oorspronkelijke schildering.

Conclusie: Hoe je om gaat met grote lacunes kun je niet los zien van de aanpak van de kleine lacunes. De ouderdom van de fresco mag je best blijven zien. Wel de gaten opvullen (eventueel in een neutrale tint) en waar mogelijk het lijnenspel terugbrengen. Daarna beslissen of je wel of niet kleur terug brengt, en zo ja hoe. Veel proefplankjes maken om de meest ideale aanpak te bepalen.

Er zijn op dit moment geen documenten van Cor Dik bekent waarin hij schrijft over het maken van dit kunstwerk. Welke onderlagen, welke materialen. Dit wil je weten i.v.m. de consolidatie zegt de architect. In het archief van de architecten zijn geen stukken teruggevonden. Cor Dik heeft ook geadviseerd over de kleuren op de houten onderdelen, die nu deels al vervangen zijn. Voordat de schildering wordt ingepakt is het nuttig om monsternamen te doen. Pigmenten kunnen later worden onderzocht. Maar de samenstelling van de stuc en vertinlaag wil je nu al weten voor het consolideren.

De veronderstelling wordt geopperd dat de kleinere dagdelen herstellingen kunnen zijn.

De restauratie moet in korte periode van de schoolvakanties worden uitgevoerd. Vermoedelijk met een groot team dat systematisch werkt. Vergelijkbaar met hoe een fresco kan worden uitgevoerd, dit is vaak ook team-work. Een begeleidingscommissie kan de te maken keuzes toetsen.

Preventieve maatregelen:

Bij het in gebruik nemen van het gebouw moet rekening worden gehouden met de nieuwe huurder. Honderdvijftien leerlingen komen hier naar school. De aanwezigen discussiëren over de wens van de opdrachtgever om de schildering na restauratie te beschermen tegen de leerling populatie van het Orion; een school voor voortgezet speciaal onderwijs voor leerlingen van 12 tot 20 jaar die moeilijk tot zeer moeilijk leren.

Niemand staat achter het aanbrengen van een beschermlaag op de schildering. Door de uitstraling van het kunstwerk gaat de voorkeur uit naar bouwkundige en opvoedkundige oplossingen. Ook al is de doorgang op de gaanderij veel smaller, het idee om de schildering af te zetten met een ontspiegelde (plexi)glasplaat krijgt weinig instemming. Er zijn slechte ervaringen met hekjes en schoonmaakploegen met spuitbussen, het kunstwerk wordt namelijk vaak mee gespoten! Het zou heel fijn zijn als er hekjes bestaan die je niet hoeft schoon te maken.

Meer enthousiasme is er over  het idee om gebruikers medeplichtig maken. Leer ze bijvoorbeeld zelf de frescotechniek toepassen. Een minder goed idee is om de leerlingen te laten helpen bij het restaureren, zoals gaatjes vullen. Laat dat werk aan de restaurator over.

De aanwezigen krijgen tot slot te horen dat de school graag de waarde wil overdragen aan de leerlingen. Op huidige locatie is de school al bezig met een kunstproject. Dat klinkt veelbelovend!

Reacties